Op 20 juni 2024 restitueerden het Lenbachhaus en het cultuurdepartement van München een schilderij uit de voormalige collectie van Jacques Goudstikker (1879-1940). Hieraan ging proactief onderzoek van de kant van het museum vooraf. Het schilderij toont een portret van de Freisingse hofmeester Achaz Busch uit 1532, geschilderd door Hans Schöpfer de Oude (rond 1505-1566).
Het Lenbachhaus in München
Foto: Florian Holzherr
Als onderdeel van proactief onderzoek naar zijn collectie heeft het Lenbachhaus in München ontdekt dat het schilderij „Achaz Busch“ van Hans Schöpfer de Oude oorspronkelijk toebehoorde aan de Nederlandse kunsthandelaar Jacques Goudstikker, die joods was. Het werk werd in juni teruggegeven aan de enige erfgenaam, Marei von Saher. Anton Biebl, hoofd culturele zaken van de stad München, benadrukte: „Een effectieve herinneringscultuur is gebaseerd op een verbinding tussen het verleden, het heden en de toekomst. Herkomstonderzoek en de restitutie van cultuurgoederen dragen bij aan de herwaardering van de geschiedenis en geven mensen een stukje van hun verleden terug. Het is daarom volkomen terecht dat de stad München heeft besloten om het schilderij ‚Achaz Busch‘ terug te geven aan de nazaat van de familie Goudstikker.“
Jacques Goudstikker kwam uit een familie van kunsthandelaren. Zijn grootvader Jacob handelde al in kunst en runde samen met zijn broer Simon een kunsthandel die zij in 1845 in Amsterdam oprichtten. De kunsthandel, die gevestigd was aan de Herengracht 458, handelde aanvankelijk vooral in meubels en decoratieve kunst. Eduard Goudstikker, zoon van Jacob en vader van Jacques, richtte de zaak vanaf 1890 op Nederlandse en Vlaamse 17e-eeuwse schilderijen. Jacques studeerde kunstgeschiedenis in Leiden en Utrecht en nam in 1919 de kunsthandel van zijn vader over. Hij breidde ook het assortiment van de kunsthandel uit met schilderijen uit andere periodes. De kunsthandel ontwikkelde zich zeer succesvol en Goudstikker kan gerekend worden tot de belangrijkste kunsthandelaren van zijn tijd in Nederland.
Na de nazi-aanval op Nederland en de daaruit voortvloeiende capitulatie van het land op 15 mei 1940 besloot hij te vluchten met zijn vrouw Désirée, beter bekend als Dési, en hun eenjarige zoon Eduard. Ze gingen aan boord van de SS Bodengraven, die hen van Nederland naar Engeland zou brengen, via een van de laatst mogelijke overtochten vanuit Amsterdam. Zijn collectie van ongeveer 1400 kunstwerken liet hij na aan zijn werknemers. Het grootste deel van zijn collectie en de werken in zijn kunstwinkel had hij vastgelegd in een notitieboek, het zogenaamde „Black Notebook“. Tijdens de overtocht naar Engeland kreeg Goudstikker een dodelijk ongeluk toen hij ’s nachts door een open luik op het dek viel. De kleine zwarte leren ringband met een getypte index, die zijn vrouw Dési Goudstikker meenam na Goudstikkers fatale ongeluk, diende als de belangrijkste bron voor het reconstrueren en opnieuw samenstellen van de collectie na 1945. De nationaal-socialisten dwongen de overgebleven werknemers en de moeder van Jacques Goudstikker, Emily Goudstikker-Sellisberger, onder dreiging van deportatie en tegen de wil van de weduwe van Goudstikker, de kunsthandel met ongeveer 1400 schilderijen en alle andere materiële bezittingen te verkopen. De kunsthandel in Amsterdam werd overgenomen door de Duitse Reichsmarschall Hermann Göring en de bankier en speculant Alois Miedl en zo „arisch gemaakt“. De betaalde 2,55 miljoen gulden lag ver onder de werkelijke handelswaarde. Hermann Göring nam een aantal van de schilderijen over voor zijn collectie. Het belangrijkste doel van de „arisering“ was om de kunstwerken uit de collectie en de kunsthandel te stelen en door te verkopen.
Lange strijd voor restitutie
In het „Black Notebook“ staat de „Mansportret“ van Hans Schöpfer de Oude vermeld onder nummer 1228. Het schilderij uit 1532 behoorde aan het begin van de 16e eeuw tot de „Münchense hertogelijke kunstkamer“ en werd in de jaren 1920 gekocht door Jacques Goudstikker in de Berlijnse kunsthandel. Alois Miedl, de directeur van de „gearaniseerde“ kunsthandel, verkocht het aan de tussenhandelaar Wilhelm Heinrich. Hij leverde het schilderij in maart 1941 ter veiling aan het veilinghuis Heinrich Hahn in Frankfurt am Main. Daar werd het vervolgens gekocht door een kunsthistoricus uit Frankfurt namens Konrad Schießl, directeur van de Stedelijke Musea in München. In dezelfde maand werd het schilderij opgenomen in de inventaris van de collectie van de Städtische Galerie im Lenbachhaus.
Na de Tweede Wereldoorlog spande de weduwe, Désirée Goudstikker, een rechtszaak aan tegen Nederland. Het juridische geschil werd beslecht. Veel van de kunstwerken bleven onrechtmatig in bezit van internationale instellingen en musea. Begin jaren negentig dienden de erfgenamen van de familie een claim in voor teruggave van hun eigendom. Jarenlange onderhandelingen en een bijbehorend advies van de Nederlandse Restitutiecommissie resulteerden in de teruggave van meer dan 200 werken. Vervolgens werden ook individuele werken teruggegeven.
De collectie van Jacques Goudstikker is herhaaldelijk onderwerp van onderzoek geweest en is onderwerp geweest van verschillende projecten. Meest recentelijk vond van 2019 tot 2022 een onderzoeksproject plaats, het Goudstikker Art Research Project. De taken van het onderzoeksproject waren het reconstrueren van de inventaris van de geroofde Goudstikker-collectie in mei 1940 met betrekking tot de 850 schilderijen die vandaag de dag nog steeds ontbreken. De tweede taak was het traceren van het pad van de vermiste schilderijen sinds mei 1940 met als doel ze te identificeren en te lokaliseren.
Erfgename Marei von Saher was blij om een werk van haar voorouder terug te krijgen: „Het is bemoedigend om te zien dat het Lenbachhaus het juiste doet voor de slachtoffers van de nazi’s en hun families. Ik ben het Lenbachhaus erg dankbaar voor het teruggeven van het schilderij van Schöpfer aan de familie van Jacques Goudstikker.“
Lees hier meer over restitutie en herkomstonderzoek.
