B: Wat is volgens jou het probleem met die andere documentaires over architectuur?
T K: Ze richten zich meestal op twee aspecten: Het ene is de biografie van de architect – waar hij geboren is, wat zijn ouders deden – en een theorie die achteraf verklaart hoe de architect ertoe kwam om al die gebouwen te ontwerpen. Het andere aspect zijn de puur technische en esthetische kenmerken van de gebouwen. Er is nauwelijks interesse in wat er met een gebouw gebeurt nadat het in gebruik is genomen. Niemand filmt de verhalen die ontstaan als mensen een gebouw gebruiken. Maar voor mij is dat het meest interessant.
B: In „Rem“ krijgt de kijker een kant van je vader te zien die normaal niet getoond wordt. Er zijn momenten waarop hij vol twijfel is, bijna ten einde raad, in schril contrast met het „koele“ en beheerste beeld dat we meestal van hem hebben.
T K: Het mooie aan de film is dat hij zo subjectief is. Nergens anders zijn er filmbeelden die hem zo kwetsbaar en in momenten van „hulpeloosheid“ laten zien, ook al zou ik het niet per se zo omschrijven. Het kan zijn dat dit de enige keer is dat je Rem zo te zien krijgt, met deze echt grote eerlijkheid, waarin hij negatieve gevoelens toegeeft over bijvoorbeeld een project waar hij aan werkt. Hij is niet een van die mensen die helemaal ontspannen zijn als je een camera in hun gezicht steekt, zeker niet als hij de persoon niet kent. Alleen ik kon die kant van hem echt vastleggen.
B: Was het moeilijk om je vader te overtuigen om de film te maken?
T K: In het begin hadden we allebei onze bedenkingen. Wat mij en Rem uiteindelijk overtuigde om zijn toestemming te geven, was het feit dat de film een ander begrip van architectuur zou laten zien en een alternatief zou zijn voor een heel genre van architectuurdocumentaires.
Lees meer in Baumeister 11/2016