Deze zomer toonde een multimediatentoonstelling in Brussel (Koninklijke Musea voor Schone Kunsten) aan hoe fascinerend een werk van Jacques-Louis David vandaag de dag nog steeds is voor onderzoekers en kunstenaars: „De dood van Marat“. Het Europees Centrum voor Archeometrie van de Universiteit van Luik gebruikte moderne beeldvormingstechnieken en niet-invasieve fysisch-chemische analyses om voor het eerst replica’s van het beroemde schilderij te onderzoeken.
De arm die de bungelende veer vasthoudt, het mes van de moordenaar Charlotte Corday op de vloer, het bloedrode water in de badkuip – een wereldlijke pièta die in de zomer van 1793 werd gemaakt in het Parijse atelier van de neoklassieke schilder Jacques-Louis David. In de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten hangt het emblematische werk van de Franse Revolutie normaal gesproken in zaal 55 in de afdeling Oude Meesters. Een interne tentoonstelling toont momenteel echter een verbijsterend aantal bijna identieke Marats. Een van de schilderijen is een anoniem werk dat na 1840 werd gemaakt. De andere, in bruikleen van het Paleis van Versailles en de Musea voor Schone Kunsten van Reims en Dijon, zijn drie van de slechts vier bekende replica’s die onder zijn supervisie in het atelier van de Fransman zijn gemaakt. Een vierde exemplaar uit het Louvre ontbreekt omdat het zich momenteel in Athene bevindt. Bij elkaar op een rij vormen al deze Marats een bizarre parade van stervende revolutionairen, waarvan de details voor het eerst met elkaar vergeleken kunnen worden.
