Na jaren van voorbereiding zijn op 2 en 3 november 2017 twee tentoonstellingen geopend over de zogenaamde „kunstvondst van München“, de nalatenschap van de zoon van kunsthandelaar Cornelius Gurlitt. Het Kunstmuseum Bern toont „Ontaarde kunst. In beslag genomen en verkocht“, terwijl de Bundeskunsthalle in Bonn „De nazi-kunstroof en de gevolgen“ toont. Een gezamenlijke catalogus getiteld „Inventaris van Gurlitt“ is gepubliceerd voor beide tentoonstellingen.
De catalogustitel „Inventaris van Gurlitt“ is een slimme keuze. Niet alleen omdat het de voorlopige aard van het onderzoek benadrukt, maar vooral omdat het eerlijk aangeeft dat niet alles is onderzocht. Voor veel werken in het bezit van Cornelius Gurlitt betekent dit korte herkomstgegevens vol hiaten. Om ze toch te publiceren getuigt van een openheid die zelden wordt gezien in kringen van herkomstonderzoek.
Gelukkig beperkt de „inventaris“ zich niet tot documentatie. De catalogus bundelt teksten over onderzoek naar de kunstpolitiek van de Nazi’s, de kunstmarkt na 1933, de familie Gurlitt en Joodse verzamelaars van wie eigendommen geïdentificeerd konden worden in de kunstvondst in München. Met elke tekst worden feiten uit nieuwe perspectieven toegevoegd aan het beeld van kunstroof, kunstverkoop en kunstpolitiek, zodat onderlinge relaties, afhankelijkheden en verbanden duidelijk worden. Terwijl in vergelijkbare bundels veel feiten worden herhaald en de lezer meer vervelen dan informeren, wordt dat hier gelukkig grotendeels vermeden. Wat wel vervelend is, is de schaamteloze kritiek op de media, die suggereert dat de berichtgeving over de kunstvondst volledig onjuist en schandalig was. Dat is niet erg zelfverzekerd. Maar het is nog vervelender als het ook nog beweerd wordt door een betrokken journalist.
De auteurs van de catalogus gebruiken verschillende voorbeelden om te laten zien hoe gefragmenteerd en, ondanks intensief onderzoek, uiteindelijk onsuccesvol herkomstonderzoek kan zijn. Andrea Bambi presenteert bijvoorbeeld de collectie van de Dresdense advocaat Fitz Salo Glaser. Glaser verzamelde Dresdense kunstenaars uit zijn tijd zoals Otto Dix en Wilhelm Lachnit, maar ook Feininger en Beckmann, Klee en Kandinsky, Nolde en Kokoschka. Een aquarel van Wilhelm Lachnit uit de nalatenschap van Glaser is met zekerheid geïdentificeerd in de Gurlitt vondst. Of twee andere werken ook tot Glaser’s kunstcollectie behoorden, kan alleen worden vermoed.
Net als dit onderzoeksrapport kunnen en zullen andere slechts tussenresultaten zijn. Dit is minder onbevredigend dan het klinkt, omdat dit gebaar van openheid de lezer heel precies informeert over de dimensies van herkomstonderzoek en mislukkingen begrijpelijk maakt. Het zou wenselijk zijn als een dergelijke transparantie model zou staan voor elk ander catalogus- en tentoonstellingsproject.
„Inventory Gurlitt“, uitg. Kunst- und Ausstellungshalle der Bundesrepublik Deutschland GmbH, Kunstmuseum Bern, Hirmer Verlag, 344 blz., 29,90 euro
